a common reader

Todtnauberg: Celan en Heidegger

· 4 August 2013 |  by Janantoon
· Published in: poëzie
· Tagged with: ·

Heidegger haalt water aan de bronIn het Guggenheim van Bilbao kocht ik een boekje over Heideggers hut met prachtige foto’s van Digne Meller Marcovicz. Een beetje tegen mijn principes, want La cabaña de Heidegger van Adam Sharr verscheen oorspronkelijk in het Engels. Soms wil je het moment niet laten voorbijgaan.
In Todtnauberg, een plaatsje in het Zwarte Woud, had Heidegger een sober ingerichte hut waar hij zich regelmatig placht terug te trekken om te denken en te schrijven. Todtnauberg is ook de titel van een gedicht van Paul Celan, neerslag van een ontmoeting tussen de filosoof en de dichter. Een gedicht waarover ook al veel geschreven is. Een gedicht dat een botsing tussen twee manieren van zijn symboliseert.

Twee manieren van zijn

Enerzijds Martin Heidegger (1889-1976), Duits filosoof en allicht de belangrijkste filosoof van de 20ste eeuw. De mens Heidegger, daarentegen, roept veel vragen op. Zijn nazi-verleden blijft voor velen een niet te verteren deel van zijn leven, vooral omdat hij er nooit afstand van genomen heeft. In 1966 nodigde Heidegger de hoofdredacteur van Der Spiegel uit voor een gesprek. Conditie was dat het gesprek pas mocht gepubliceerd worden na zijn dood, en dat gebeurde dan ook in 1976. Daarmee kreeg Heidegger natuurlijk ‘het laatste woord’, maar het was een jammerlijke bedoening: halfslachtige vragen en steeds maar weer der Herr Professor die zichzelf goedpraat.

Anderzijds de dichter Paul Celan (pseudoniem van Paul Antschel, 1920-1970), een Roemeense jood wiens moedertaal Duits was. Dat was trouwens voor veel Oost-Europese joden hun culturele taal (denk bv aan Marcel Reich-Ranicki).
Hij groeide op in de stad Tsjernivtsi, nu deel van Oekraïne, maar dat is in de laatste eeuw wel enkele keren gewisseld. In 1939 werd het gebied geannexeerd door de Russen, maar in 1941 heroverd door de Roemenen samen met het Duitse leger. En toen begonnen daar ook de jodenvervolgingen. Paul verloor zijn ouders. Zelf werkte hij verschillende jaren in werkkampen, tot de Russen in 1944 de streek bevrijdden.
Na de oorlog kwam hij, na wat omzwervingen, in Parijs terecht. Hij vertaalde poëzie uit het Frans, Engels, Russisch, Italiaans, Roemeens, Portugees en Hebreeuws.
Zijn eigen poëzie bleef hij in het Duits schrijven, al had hij met die taal een verkrampte verhouding. Stefan Hertmans schrijft hierover in zijn essay “De glottis als afgrond” [uit Het zwijgen van de tragedie]:

De intellectuele Duitssprekende, Centraal-Europese joden, die strikt genomen nog steeds vaderlandsloos waren, hadden altijd benadrukt dat de taal hun enige vaderland was — doordat hun nazi-beulen deze taal spraken, werd ook dit culturele territorium hen ontnomen. Celan verloor daardoor letterlijk de taal van zijn moeder, maar er was geen andere taal voorhanden om zijn gedichten in te schrijven (hoewel hij in een kosmopolitische, polyglotte omgeving opgroeide).
Een dergelijke frustatie, waarbij er schuld kleeft aan wat identiteit verleent, duwt een dichter van dit kaliber in de zelfhaat. De taal die Celan ontwierp, was een schepping door vernietiging.

Todtnauberg: de ontmoeting

Het merkwaardige is dat Heidegger en Celan mekaar wederzijds bewonderden. Celans exemplaar van Sein und Zeit bevatte zeer veel aantekeningen. Ook Heideggers interpretatie van Hölderlin interesseerde Celan bovenmatig. Celan was dus een bewonderaar vanuit de verte, maar kon ook niet vergeten dat Heidegger de nazi’s omarmd had en later nooit afstand had genomen van dat verleden.
Heidegger van zijn kant bewonderde de poëzie van Celan, bezat ook al zijn bundels. Dan doet er zich een gelegenheid tot ontmoeting voor. Rüdiger Safranski vertelt het in zijn biografie [Martin Heidegger, Between Good and Evil]. Paul Celan werd in de zomer van 1967 uitgenodigd om een lezing te geven in Freiburg. Gerhart Baumann, de organisator, bracht Heidegger op de hoogte. Vóór de lezing had Heidegger — professor en ooit rector van de Freiburger universiteit — de lokale boekenwinkels gevraagd om Celans gedichtenbundels prominent in de etalages te zetten. Celan maakte voor de lezing een wandeling door de stad en was zeer verheugd toen hij dit merkte.

At his reading in Freiburg on July 24, 1967, in the university’s biggest lecture hall, Paul Celan found himself faced with the biggest audience of his life. More than a thousand listeners had come, including Martin Heidegger, who sat in the front row.

Na de lezing was er een klein incident over een foto: Celan wou niet samen met Heidegger poseren. Daarna weer wel. Wat een ontmoeting! Celan was toen 47 jaar oud, een bekend dichter, en een getormenteerd mens. Drie jaar later zou hij zelfmoord plegen. Heidegger was 78, een wereldberoemd filosoof, en als mens niet alleen zelfingenomen en provinciaal, maar nog steeds in de ban van het oer-Duitse (wat dat ook mag zijn). Celan die — ondanks het dictaat van Adorno — nog dichter was na Auschwitz, én in de taal waarin de Endlösung bedacht was.
Toch aanvaardt hij de uitnodiging van Heidegger om ‘s anderendaags Todtnauberg te bezoeken. En ogenschijnlijk ging dat goed. Ogenschijnlijk, want in het gedicht merk je dat er een en ander broedde. Heidegger heeft natuurlijk zijn nummertje gedaan, zoals bij zoveel gasten: de wandeling naar de hut, drinken aan de bron, zijn wandeling door de velden en bossen van de vallei. Celan kende veel van planten en bloemen. Ze hadden wel wat om over te praten.
Maar hem werd ook gevraagd om iets te schrijven in het gastenboek. En hij vraagt zich af wie er nog allemaal wat geschreven heeft in dat gastenboek. Celan schrijft dat hij in zijn hart hoopt op een ‘komend woord’. Een komend woord. Welk woord had hij verwacht? We zullen het niet weten, maar wellicht toch iets als een uitlating dat Auschwitz onvergeeflijk is.
En dan, samen in de wagen op de terugweg naar Freiburg, zijn er duidelijke grofheden. Misschien vergoelijkingen vanwege Heidegger zoals in zijn laatste interview met Der Spiegel? In alle geval, voor de gevoelige ziel Celan zijn het grofheden, en de chauffeur, de mens, moet het mee aanhoren. Celan beschrijft het met iets als plaatsvervangende schaamte.
En toch bleven ze mekaar daarna nog schrijven. Celan stuurde Heidegger een eerste versie van het gedicht. Maar het lijkt eerder op een liefde-haat verhouding.

Een ander aspect van de verhouding met Heidegger was een algemeen wantrouwen tegenover de enthousiaste ontvangst van zijn gedichten in Duitsland. J.M. Coetzee beschrijft het zo in zijn essay ‘Paul Celan’ in Inner Workings:

In fact, Celan himself never trusted the spirit in which he was welcomed and even fêted in West Germany. In the line that German critics took with ‘Death Fugue’ — to quote one eminent critic, that it showed he had ‘[escaped] history’s bloody chamber of horrors to rise into the ether of pure poetry’ — he sensed that he was being misinterpreted, and in the deepest historical sense, wilfully misinterpreted. Nor was he pleased to hear that in the classtoom German students were being directed to ignore the content of the poem and concentrate on its form, particularly its imitation of musical (fugal) structure.

Hij werd gevierd als dichter, maar men wilde de inhoud van de gedichten niet lezen: een uiting van de struisvogelpolitiek van de Duitse burgerij, waar Heidegger ook een symbool van was.

Todtnauberg: het gedicht

Hieronder publiceer ik het originele gedicht en mijn vertaling. Op zich is de vertaling niet zo moeilijk, het Nederlands loopt mooi parallel met het Duits. Toch wijk ik wel af van de vertaling van Ton Naaijkens uit de prachtige editie van de Verzamelde gedichten.
Mijn commentaar bij enkele regels vind je onderaan.

TODTNAUBERG

Arnika, Augentrost, der
Trunk aus dem Brunnen mit dem
Sternwürfel drauf,

in der
Hütte,

die in das Buch
— wessen Namen nahms auf
vor dem meinen? —
die in dies Buch
geschriebene Zeile von
einer Hoffnung, heute,
auf eines Denkenden
kommendes
Wort
im Herzen,

Waldwasen, uneingeebnet,
Orchis und Orchis, einzeln,

Krudes, später, im Fahren,
deutlich,

der uns fährt, der Mensch,
der’s mit anhört,

die halb-
beschrittenen Knüppel-
pfade im Hochmoor,

Feuchtes,
viel.

Paul Celan

TODTNAUBERG

Valkruid, ogentroost, de
dronk uit de bron met de
sterrenkubus er op,

in de
hut,

de in het boek
— welke namen namt op
voor de mijne? —
de in dit boek
geschreven regel van
enige hoop, nu,
op van een denkende
komende
woord
in het hart,

bosweiden, ongeëffend,
orchis en orchis, hier en daar,

grofheden, later, al rijdend,
duidelijk,

die ons rijdt, de mens,
die het mee aanhoort,

de half
beschreden knuppel-
paden in het hoogveen,

vochtigheid,
veel.

© vertaling Jan Antoon Mariën

1

2
3
4

5
6

7
8
9
10
11
12
13
14
15
16

17
18

19
20

21
22

23
24
25

26
27

  • 2. De meeste vertalingen behouden het woord ‘arnica’. Een plantenkenner kan zich allicht een voorstelling van die bloem maken. Ik niet, en ik vind het fijner om de Nederlandse naam te gebruiken. Bloemen spelen een rol in dit gedicht. Dit valkruid is een felgele, ronde bloem. Niet ongelijk de gele Davidsster. Celan gebruikt zulke referenties.
  • 4. sterrenkubus: op de foto is de bron te zien en op de zuil een stervormige kubus. Weer een ster.
  • 7. die in das Buch: dit krijgt een echo in regel 10 en dan gaat het verder over de zin die hij in het gastenboek schrijft. Maar ik geloof dat dit eerste vers ook anders kan gelezen worden: ‘die [andere Mechschen] in das Buch’. Wiens namen staan er nog in, vraagt hij zich af, vrezend namen te zullen vinden van personen met wie hij zich niet zou kunnen verzoenen, en die dus een smet op zijn gastheer werpen. Deze suggestie kan in het Duits gewekt worden, maar is onvertaalbaar.
  • 8. nahms: in de plaats van ‘nahm es’. Celan kneedde soms het Duits naar zijn hand. Het Duits moest zich voegen naar zijn regels en willekeur.
  • 19. Krudes: ‘krude’ of ‘krud’ is een adjectief: grof, ruw onbehouwen. Celan maakt er hier een substantief van.
  • 20. duidelijk: dit woord vind ik veelzeggend hier. Zoals iemand die zegt “Dat was duidelijk een belediging”, waarin ‘duidelijk’ de echtheid van de belediging moet aantonen aan de gesprekspartner, die misschien niet overtuigd is.
  • 21. der Mensch: Ton Naaijkens maakt er ‘die man’ van, maar dan had Celan wel ‘der Mann’ geschreven. Nee, de chauffeur is een mens die moet meeluisteren naar uitspraken die Celan kwetsen, of de mens als getuige.
  • 24. Knüppelpfade: wat hij hier bedoelt, blijft mij duister. Het woordenboek geeft ‘knuppel, talhout’. En in Calisch’ woordenboek uit 1864: Talhout, o. (-en), hout dat (in knuppels) bij zekere hoeveelheid stuks verkocht wordt. Ik kan me voorstellen: paden met stokken op de grond tegen het drassige van het veen. Maar Knüppel betekent ook gewoon knuppel, waarmee je iemand afranselt.
  • 25. Hochmoor: net na die regel met de knuppels, doet dit toch wel denken aan de Moorsoldaten.
Facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinFacebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedin

Comments are closed.



boekenkast-1

boekenkast-2

boekenkast-3