a common reader

Nabokov, Zweig en schaakgekte

· 18 September 2014 |  by Janantoon
· Published in: Duitse literatuur · FOCUS · Russische literatuur
· Tagged with: ·

Worden schakers sowieso gek? Van de schakers die ik vroeger volgde, zoals Victor Kortsjnoi, Anatoly Karpov of Jan Timman, is er toch niemand gek geworden. Bobby Fischer vertoonde een zeer excentriek gedrag, dat wel. Misschien Garry Kasparov, omdat je toch een beetje gek moet zijn om politieke oppositie tegen Poetin te wagen.
Schakers in Genève

De verdediging

Toch worden schakers in de literatuur dikwijls als waanzinnig voorgesteld, bedacht ik bij het herlezen van De Verdediging1. Vladimir Nabokov publiceerde deze roman in 1930 nog in het Russisch: Защита Лужина (zasjita loezjina), de Loezjin-verdediging. Dit is een betere titel dan simpelweg De verdediging, maar je moet al een schaker zijn om te weten dat schaakopeningen namen hebben als de Franse verdediging of de Drakenvariant van de Siciliaan.
De hoofdfiguur is Aleksandr Ivanovitsj Loezjin, maar dit vertellen is al misleidend, want zijn voornaam en patroniem worden pas op de laatste regel van het boek geroepen. Dat is niet zonder betekenis. De roman begint zo:

Wat het meest insloeg was het feit dat hij vanaf maandag Loezjin zou zijn. Zijn vader — de echte Loezjin, de Loezjin op leeftijd, schrijver van boeken — ging glimlachend de kinderkamer uit, zich in de handen wrijvend (die al voor de nacht waren ingesmeerd met kleurloze crème), en schuifelde met suèdebeslofte avondlijke tred naar de slaapkamer terug. Zijn vrouw lag in bed. Ze kwam half overeind en zei: ‘En, hoe ging het?’ Hij trok zijn grijze kamerjas uit en antwoordde: ‘Redelijk. Hoorde het rustig aan. Oef… dat is een pak van mijn hart.’ ‘Fijn…’ zei zijn vrouw, en trok langzaam het zijden dek over zich heen. ‘Goddank, goddank…’

Het jongetje krijgt te horen dat hij, zodra ze hun datsja verlaten en teruggaan naar Sint-Petersburg, naar een school zal moeten gaan en dat ze hem dan Loezjin zullen noemen.
Maar de kleine Loezjin neemt de plotse breuk met zijn bekende leventje helemaal niet zo kalm op. De school wordt een nachtmerrie voor hem. Hij trekt zich steeds meer in zijn schelp terug en vindt ook thuis niet veel begrip bij zijn niet al te bijdehandse ouders. Die hadden er trouwens een ganse zomer voor nodig om moed te verzamelen om die boodschap te brengen.
De jongen begint vreemd gedrag te vertonen en begint ook te spijbelen. Tijdens een van die afwezigheden ontmoet hij zijn jonge en frivole tante — die bij zijn vader meer dan familiale genegenheid losmaakt — en zij leert hem schaken.
Schaken wordt zijn houvast in zijn kleine leven. Het zondert hem af van anderen, maar biedt hem een rijk innerlijk leven.
Jaren later reist hij door Europa, van het ene schaaktoernooi naar het andere. Hij is een zonderling geworden. Zijn ouders zijn in ballingschap — na de revolutie — in Berlijn gestorven. Hij leeft marginaal, onverzorgd, onbestemd, maar is een wereldberoemd schaker geworden.
We ontmoeten hem in een kuuroord waar hij zich voorbereidt op een belangrijk tornooi: de winnaar mag de regerende wereldkampioen uitdagen. Zijn ambitie wordt bedreigd door de Italiaanse grootmeester Turati, die een zeer venijnige opening heeft ontwikkeld. Heel zijn wezen is er op gericht daarvoor een verdediging te vinden.
In het kuuroord ontmoet hij een jongedame. Eigenlijk zorgt zij voor de ontmoeting, want hij leeft in zijn eigen wereldje. Geen van beiden zijn aantrekkelijke specimen van de menselijke soort, maar zij is tot hem aangetrokken door de duidelijke tekenen van zijn genie — iets wat ze in haar omgeving volslagen mist — en zij neemt hem onder haar vleugels.

Het bewuste tornooi verloopt voorspoedig voor Loezjin, al ziet hij alleen nog maar schaakpatronen overal waar hij kijkt. De tegels in de hal van een hotel zijn een schaakbord, een gast die zich verplaatst doet een onverwachte zet. De laatste partij is tegen de gevreesde Turati. Het is een zeer scherpe en verwoestende strijd. De partij wordt afgebroken na de officiële duur om later verdergezet te worden. Maar Loezjin blijft wezenloos achter, is nu werkelijk van de wereld afgesneden en belandt na enkele vage omzwervingen in een psychiatrische kliniek.
Na een tijd verklaart men hem genezen, maar hij moet zich hoeden voor alles wat met schaken te maken heeft. Daarvoor zal de jongedame — ondertussen zijn echtgenote geworden — proberen te zorgen. Tevergeefs. Alles wat om hem gebeurt zijn aanvalszetten in de schaakpartij die maar niet ophoudt en waartegen hij zich krampachtig probeert te verdedigen. Tot hij beseft dat er geen verdediging is, dat hij de partij nooit zal winnen, en de enige oplossing is uit de partij te stappen.

Schaaknovelle

De vergelijking met de Schaaknovelle2 van Stefan Zweig ligt voor de hand.
Schachnovelle, Holzschnitt von Elke RehderIn de Schaaknovelle zijn er twee figuren die door het schaken getekend zijn. De ene is wereldkampioen schaken, maar verder een boerse en onbeschaafde kinkel. De Russische boerenafkomst van deze Mirko Czentowitz is niet weg te werken met dure kleren. Hij was een arme en bijzonder domme en trage wees, voor hij ontdekte dat hij een uitzonderlijke gave had.
De andere, een Oostenrijker die alleen met Dr. B. wordt aangeduid, is daarentegen een fijnzinnig en bescheiden advocaat, die op een bootreis van New York naar Buenos Aires per toeval in contact komt met de wereldkampioen.
De wereldkampioen is zeer hebzuchtig en speelt tegen betaling een partij tegen een verzameling andere passagiers. Op het moment dat ze op het punt staan in de val van de wereldkampioen te trappen en de match te verliezen, intervenieert Dr. B. en de partij eindigt, tot ieders verbazing, in remise. Dit wekt de interesse van de verteller, die erop uit gestuurd wordt om Dr. B. tot een match te verleiden.

Dr. B. is vooreerst niet geneigd om een match aan te gaan. Zijn schaakkennis heeft hij opgedaan tijdens een langdurige gevangenschap in de gebouwen van de Gestapo. Na vier maanden eenzame opsluiting, kan hij een schaakboek met 150 beroemde partijen stelen. Om zijn geestelijke stabiliteit te bewaren speelt hij alle partijen uit zijn hoofd na. Omdat hij na enige tijd alle partijen kent, begint hij tegen zichzelf te spelen, maar dat blijkt slechts mogelijk als hij zichzelf splitst in een zwarte en een witte helft, die van elkaars plannen niet op de hoogte zijn en na een verloren partij onmiddellijk revanche eisen. Deze zelfopgelegde schizofrenie resulteert in een zenuwinzinking die hem, met de hulp van een arts, uit de klauwen van de Gestapo redt.

De eerste partij wordt door Dr. B. gewonnen. De regerend wereldkampioen erkent zijn verlies, het eerste in maanden, door alle stukken van het bord te vegen. Dr. B. wou slechts die ene partij spelen, om een streep onder zijn pijnlijke verleden te zetten. Maar hij raakt door de schaakkoorts bevangen en stemt toe in een revanche. De tweede partij verliest hij op even dramatische wijze. Czentowitz aarzelt opzettelijk lang bij iedere zet en drijft daarmee zijn tegenstander tot wanhoop. Die begint partijen in zijn hoofd te spelen die niets meer uit te staan hebben met de positie op het bord. Uiteindelijk kondigt Dr. B. op triomfantelijke manier een schaak aan, maar moet even later toegeven dat hij een andere partij, die in zijn hoofd, verwart met de partij op het bord.

schakende schrijvers

Stefan Zweig was schaakliefhebber. Voor de eerste partij in zijn novelle heeft hij blijkbaar gebruik gemaakt van een partij uit 1922 tussen Aljechin en Bogoljoebov. Vladimir Nabokov was meer dan een liefhebber, een schaker die ook graag schaakproblemen componeerde. Beiden waren natuurlijk geïnteresseerd in de menselijke psyche.

Ik ken het vocabularium van de psychische pathologieën niet; het zou interessant zijn de visie van een psychotherapeut over deze boeken te kennen. Maar ik ben zeer lang clubschaker geweest en speel nog elke dag enkele partijtjes via Internet Chess Club. Ik ken dus ook het hypnotiserende en absorberende effect van het schaken. Maar schaken is ook gewoon een boeiende denksport, een goede oefening voor het geheugen en visueel voorstellingsvermogen. Goed, er zijn sommigen die misschien wat erg gedreven, of gebeten, zijn, maar dat is toch een absolute minderheid. En topschakers trainen zich ook lichamelijk — naast de schaaktheoretische studies — om in conditie te blijven en de stress van een tornooi aan te kunnen.

Waarom dan tonen deze schrijvers, beiden schaakliefhebbers, alleen de obsessieve kant van het spel? Van de twee schaakmeesters die ze tonen, ken ik geen enkel voorbeeld. Er zijn zeker schakers geweest met licht afwijkend gedrag, maar vind je dat niet tussen alle mensen? Er is een leuke anekdote over grootmeester Aaron Nimzowitsch die tegelijk zeer trots en erg paranoïde was. Hij verdroeg hoegenaamd niet dat er in zijn bijzijn gerookt werd. Tijdens een tornooi haalde zijn tegenstander bij het begin van een partij een grote sigaar boven. Nimzowitsch haalde onmiddellijk de scheidsrechter erbij: “Er mag toch niet gerookt worden?” De scheidsrechter keek naar de tegenstander, die zijn sigaar niet had aangestoken. “Maar hij rookt toch niet?” “Nee, maar hij dreigt ermee!”

De drie schakers in beide boeken gebruikten het schaken om te vluchten uit een werkelijkheid die ze niet aankonden, of die zoals bij Mirko Czentowitz gelijk stond aan niet-zijn. Bij Nabokov gaat het om een monomane sukkelaar, waar we desondanks toch sympathie voor krijgen. Dat is misschien ook te danken aan Nabokovs fijne ironische schrijfstijl die me dikwijls aan WF Hermans doet denken.

Toch blijf ik met mijn vraag zitten: waarom alleen het enge, het monomane van schaken in de verf gezet wordt. Bij mijn weten bestaat er geen boek over een schaakpartij of match zoals Yasunari Kawabata dat schreef over het go-spel3, waarin de spanning en de stress van de tweekamp uitgebeeld wordt en waarin de tegenstanders centraal staan en normale mensen zijn.


Bron foto: Gideon op Flickr
Bron grafiek: houtsnede van Elke Rehder voor de Schaaknovelle van Stefan Zweig.


Facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinFacebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedin

Comments are closed.

  1. Vladimir Nabokov
    De verdediging
    Vladimir Nabokov, De verdediging

  2. Stefan Zweig
    Schachnovelle
    Stefan Zweig, Schachnovelle

  3. Yasunari Kawabata
    De meester van het go-spel
    Yasunari Kawabata, De meester van het go-spel



boekenkast-1

boekenkast-2

boekenkast-3