Barcelona en Henry Moore
Er zijn veel goede excuses om naar Barcelona te reizen, en deze zomer is daar een stimulans bijgekomen: een prachtige tentoonstelling rond Henry Moore. De tentoonstelling loopt nog tot 29 oktober, de snelle beslissers kunnen er dus nog van genieten. Meer info vind je op de site van de Fundación “la Caixa”, tenminste als je een mondje catalaans of castiliaans kent.
De Fundación “la Caixa” heeft een mooi overzicht van Moore’s werk samengebracht: 160 stukken, zowel grafisch werk als sculpturen en uit alle periodes van zijn leven. De tentoonstellingsruimte is de gerestaureerde oude katoenfabriek Casaramona — ontwerp van de architect Josep Puig y Cadafalch — die in het begin van de xxste eeuw een toonbeeld van lichte en ruimtelijke architectuur was. Nu trouwens nog, nadat het gebouw gerestaureerd en uitgebreid werd en de paardenmest van de Guardia Civil verwijderd werd. Een zeer mooie ruimte om Moore te tonen, behalve dan voor de sculpturen die ze buiten geplaatst hadden, zoals Koning en Koningin. Ruimtelijkheid is er ín het gebouw en niet in de tussengangen. Moore wenste dat zijn beelden konden ademen, en dat is in die gangen minder het geval.
Je mag kijken, niet aanraken, niet strelen, niet de warmte en vorm van het materiaal voelen, je mag niet fotograferen. Begrijpelijk allemaal. In de metro zie je hoe mensen op krampachtige wijze een spoor van hun bestaan in de ruiten gekrast hebben. Begrijpelijk, maar spijtig. Zo’n liggende figuur in olm schreeuwt om gestreeld te worden.
Fotograferen (met flash) kan schadelijk zijn voor grafische werken, maar voor een bronzen beeld? Mag je geen kiekjes nemen opdat je de catalogus zou kopen? Die koop ik sowieso.
Natuurlijk kan fotograferen storend werken voor andere bezoekers. In het Louvre kan je de Venus van Milo niet zien door de fotograferende wereldbevolking.
Maar, ik heb dan toch stiekem een foto (zonder flits) genomen van een uitzonderlijk beeldje in porcelein, Moon head. Ik was gefrappeerd door de vorm, maar ook door het materiaal — ik wist niet dat Moore ook met porcelein heeft gewerkt — dat aan het beeld een etherische schoonheid geeft. Het beeld Moon head bestaat in een grotere bronzen variant. Je kan het terugvinden op de mooie site van de Henry Moore Foundation.
Moore is blijkbaar iemand die heel wat mensen kan aanspreken, mensen die misschien verder niet zó in beeldhouwkunst geïnteresseerd zijn. Dit getuigt alleen maar van het universele van zijn vormen. Ik was ook aangenaam verrast door zijn tekeningen, meestal studies in functie van zijn beelden, maar meer en meer toch ook grafische uitdrukkingen in their own right.
Ik heb van het bezoek aan Barcelona geprofiteerd om nog enkele tijdelijke Picassotentoonstellingen te gaan zien, vooral Picasso, el hombre de las mil máscaras vond ik uitstekend. Eén namiddag heb ik in de blakke zon rondgezeuld op zoek naar een parkje met een beeld van Eduardo Chillida. Uiteindelijk bleek dit beeld in een openluchtzwembad te hangen. De man aan de kassa had blijkbaar nog mensen gehad die alleen maar het beeld kwamen fotograferen, ik hoefde niet te betalen.
Hieronder enkele foto’s die ik maakte in Barcelona en in Münster.
|
           |
| Over Moore heb ik ondertussen een kleine verzameling boeken:
     
|
Geert Lernout’s geschiedenis van het boek
De titel van dit boek is wat misleidend, tenminste als we onder boek verstaan wat wij nu als boek kennen. Maar Geert Lernout start veel vroeger — met het ontstaan van het schrift — en vertelt de interactie tussen het schrift en de drager (waarop geschreven wordt) en de functie ervan in de maatschappij. Deze drie elementen evolueren en beïnvloeden mekaar.
Dit maakt dat je al in de helft van het boek bent vóór Gutenberg zijn intro maakt. Het is dan ook een beknopte geschiedenis. In 352 bladzijden kan hij moeilijk bundelen wat in zovele gedegen studies over alle facetten van het boek reeds gepubliceerd werd. Maar deze vlucht over de geschiedenis van het schrijven en drukken en internetten is boeiend en goed geschreven met heel wat anecdotes en persoonlijke toetsen. De schrijver is als persoon in het boek aanwezig, met de ordening van zijn bibliotheek, met een manuscript dat hij kocht, enz.
Hier en daar was het voor mij een beetje saai, ik heb al wel enkele boeken over boeken gelezen. Maar het geheel was goed, Lernout schrijft onderhoudend en raakt heel wat topics aan waardoor ik zin had om toch weer wat andere boeken over het onderwerp te gaan (her)lezen. Zoals bv dat zeer goede boekje van Bart Engelhart en Jan Willem Klein: 50 eeuwen schrift; Een inleiding tot de geschiedenis van het schrift.
Om te besluiten, dit boek is een aanrader.
Pués, ¿el Bush puede leer o no?
Creo que no soy el único que tiene dudas sobre la erudición del cacique del mundo. Para convencer al mundo que Bush sí puede leer, la Casa Blanca publica cada año su lectura de vacaciones.
Tenemos que decir que su reputación no ha mejorado por las palabras de su mujer: “George and I were just meant to be… I was the librarian who spent 12 hours a day in the library, yet somehow I met George.” ["George y yo hacían juego... Yo era la bibliotecaria que pasaba 12 horas por día en la biblioteca, no obstante de alguna manera encontré George."] Entonces no se encontraron en la biblioteca, quod erat demonstrandum.
Un artículo reciente del Washington Post habla de su lectura de vacaciones en 2005 y 2006. Según este diario Bush llevó en 2005 tres libros de historia con un total de 1500 páginas. Dado que sus vacaciones en Camp David duraban 30 días, Bush tuvo la intención de leer 50 págines por día. En 2006 su estancia en su hacienda solamente duraba 10 días, pero llevó tres libros con un total de 1000 páginas. Entonces, pese a sus muchas preocupaciones quería aumentar su ritmo hasta 100 páginas por día. ¿Para olvidar?
Además no lleva novelas simples de verano. Sus libros en 2006 según el Washington Post:
Lincoln: A Life of Purpose and Power de Richard Carwardine, 416 páginas,
Lincoln’s Greatest Speech: The Second Inaugural de Ronald C. White, 254 páginas,
Polio: An American Story de David Oshinsky, 352 páginas.
Gracias a un artículo en The Guardian del 17 de agosto 2005 conocemos su lectura para 2005. En su equipaje:
Salt: A World History de Mark Kurlansky, 498 páginas;
Alexander II: The Last Great Tsar de Edvard Radzinsky, 462 páginas;
The Great Influenza: The Epic Story of the Deadliest Plague in History de John M. Barry, 546 páginas.
Falta lo mejor. The Guardian informa en un artículo del 17 de agosto 2006 que Bush acabe de leer El extranjero (L’étranger) de Camus. Parece más verosímil, la novela tiene solo 128 páginas. Tal vez Cheney le dijo que en este libro el protagonista mate a un árabe porque hace calor… O tal vez ya se siente un outsider y el título le atraía? Being an outsider for dummies.
Quisiera mucho conversar con Bush sobre esta novela, pero temo que haría unas preguntas embarazosas.
het boekenschrift
Toen ik in 1991 Felix Eijgenraam’s boekje kocht, had ik zelf al bijna tien jaar een boekenschrift. Ik behoorde dus tot die categorie lezers die dit kochten om te zien hoe anderen met deze vreemde (afgeleide) passie omgaan. Zijn boekje zal dan weer anderen aangezet hebben om met dit ritueel te starten. Heel onlangs nog ontdekte een vriend van mij dit boekje in mijn database en werd door de bijhorende beschrijving aangezet om ook te starten met een boekenschrift. Een Aha-Erlebnis dus.
Even voor de ‘leek’: een boekenschrift is een schrift (cahier, dagboek, grootboek, etc) waarin de lezer elk boek noteert dat hij heeft gelezen. Meestal noteert men de schrijver, de titel, de datum van uitlezen, soms het aantal bladzijden, dikwijls een waardering in een of ander puntensysteem.
Er zijn blijkbaar ongeschreven wetten die voor alle boekenschrifters gelden: een boek wordt pas ingeschreven wanneer het van kaft tot kaft werd gelezen. Tant pis voor al die boeken die halverwege ontgoocheld werden weggelegd. Spijtig ook voor de dichtbundels waarin je wel grasduint, maar die je niet van voor naar achter doorleest.
Wanneer het boek uitgelezen is, de kaft toegeslagen, komt nog een heerlijk ‘naspel’, een ritueel: je neemt het boekenschrift en schrijft — zo mogelijk met een waardevolle vulpen — de gegevens van het uitgelezen boek in. Pas dan is het boek écht gelezen. Een heerlijk moment dat door de meesten een beetje stiekem genoten wordt. Want een boekenschrift houden is een privéaangelegenheid. In iemands boekenschrift neuzen is al even erg als ongevraagd diens dagboek lezen.
Felix Eijgenraam dacht dat hij bijna alleen was met die vreemde gewoonte toen hij er een artikel over schreef in NRC Handelsblad. Groot was zijn verbazing toen hij bedolven werd onder de reacties, enerzijds van lezers die al jaren een boekenschrift hadden en óók dachten dat ze alleen waren en anderzijds van mensen die het een zeer goed idee vonden en er ook zouden aan beginnen. Pijnlijk was de reactie van een tachtigjarige man, veellezer, die biezonder veel spijt had dat hij daar nooit was opgekomen, maar hij zou er alsnog mee beginnen…
De vele reacties gaven dan aanleiding tot De Plezierfactor, Nut en genot van het boekenschrift. Het bevat het oorspronkelijke kranteartikel, een keuze uit de vele brievenschrijvers en een interview met misschien de grootste boekenschrifter aller tijden, Maarten ‘t Hart (die minstens zo’n 200 boeken per jaar leest).
Alle boekenschrifters zijn natuurlijk verwoede lezers, maar sommigen zijn ook verknochte lijstjesmakers. Een telling per jaar én een doorlopende telling van de gelezen boeken zijn courante gebruiken. Sommigen tellen ook het aantal bladzijden dat ze op een jaar lezen. Anderen willen elk jaar iets meer lezen dan het jaar voordien en indien ze merken hun doel niet te zullen halen treedt er tegen het jaareinde een “boekdiktevermindering” op.
Zo zijn er heel wat mensen die hun uitgelezen boeken een rating geven, maar één iemand berekende jaarlijks zijn plezierfactor. Hij telde het aantal bladzijden van boeken met zijn hoogste rating en vermenigvuldigde die som met de rating, enzovoort voor elke rating, en deelde die som door het totaal aantal gelezen pagina’s. De bekomen ratio gaf hem dan een indicatie van het leesplezier gedurende een bepaald jaar.
In formulevorm:
[Σ(pagina's aan rating 4) x 4] + Σ(pagina’s aan rating 3) x 3] + [enzovoort]
Σ(alle pagina’s)
Chesterton schreef ooit: “He may be mad, but there’s method in his madness.”
Sinds ik in 1982 mijn boekenschrift startte en nú is er heel wat veranderd. Nu staat mijn boekendatabase volledig op het internet en u kan besprekingen van gelezen boeken lezen in deze weblog. Maar toch blijf ik het ritueel trouw. Nadat ik een boek uitgelezen heb, neem ik mijn beduimeld boekenschrift en schrijf er de basisgegevens in op. Ik heb nooit een puntensysteem gebruikt, maar merk dat ik een boek dat veel indruk op mij maakte zal inschrijven met mijn Mont Blanc vulpen en een ander boek eerder met de eerste de beste bic…
Fernando Pessoa: het ik als vreemde
August Willemsen
Fernando Pessoa: het ik als vreemde
Een essay met schrijversprenten
August Willemsen, de vertaler van Pessoa’s oeuvre, heeft met dit boekje een knappe inleiding op Pessoa en zijn werk geschreven. Maar eerst wil ik de laatste zin citeren:
Pessoa is nog steeds Portugals enige en gehele bijdrage tot de grote Europese literatuur van de twintigste eeuw.
Hiermee ben ik het volledig oneens. Is Willemsen José Saramago vergeten? Of vindt hij Saramago al een schrijver voor de 21ste eeuw? Nochtans heeft Saramago nog een speciale band met Pessoa door één van de heteroniemen tot leven te roepen in zijn
roman El año de la muerte de Ricardo Reis. Bovendien kan Willemsen’s opmerking dat Pessoa op zich een voldoende aanleiding is om Portugees te gaan leren ook over Saramago gezegd worden. Ik lees hem nu in het Spaans bij gebrek aan kennis van de zangerige taal.
Maar, terug naar Pessoa en Willemsen. Dit is geen biografie (het boek telt slechts 101 bladzijden) maar een essay — voornamelijk over de literaire identiteiten van de verschillende heteroniemen — met een minimum aan biografische gegevens. En dat maakt het zo bijzonder goed. Door deze introductie te lezen heb je voldoende informatie om de gedichten zelf te gaan lezen. Want wat valt er meestal biografisch te vertellen over een schrijver? Dat hij veel schreef? Tenzij je een biografie schrijft zoals de 977 bladzijden tellende turf van Carlos Baker (Ernest Hemingway: A Life Story) waar je in een voetnoot dit relevante feit kan lezen:
The cat, Mr. F. Puss, had been rescued in 1923 by Harold Loeb from a pit near the Trajan Column in Rome. It was on the verge of a nervous breakdown from cold and hunger. Loeb to author, June 6, 1964. [p. 754]
De beste biografie vind ik nog steeds Nigel Nicolson’s Virginia Woolf waarin hij met veel inlevingsvermogen een korte beschrijving geeft van haar leven. Niets voyeurisme, geen haarklieverij.
Dit essay met schrijversprenten gaat in dezelfde richting, al gaat het Willemsen veel meer over dat biezondere van Pessoa: schrijven vanuit verschillende ikken. Maar wat valt er ook meer te vertellen, zeker in het geval van Pessoa wiens leven zowat samenviel met zijn schrijver zijn. Die heteroniemen, Pessoa omschrijft het zelf:
Een pseudoniem werk is van de auteur in zijn eigen persoon, behalve in de naam waarmee hij ondertekent; een heteroniem werk is van de auteur buiten zijn eigen persoon, is van een compleet, door hem gefabriceerd individu, zoals het geval zou zijn met de woorden van elk willekeurig personage in elk willekeurig door hem geschreven toneelstuk.
Zo schrijft Pessoa onder zijn eigen naam en als Alberto Caeiro (vroeg “gestorven”), Ricardo Reis en Álvaro de Campos. Telkens met een eigen stijl, een ander temperament, etc. Een uitzonderlijke persoonlijkheid die doet denken aan Kafka; hij schreef ook een omvangrijk oeuvre bij mekaar terwijl er tijdens zijn leven bijna niets gepubliceerd werd.
Ik vond deze inleiding zeer de moeite waard. Ik ga de tweetalige (Portugees/Spaans) editie van zijn volledige gedichten (uitgeverij Galaxia Gutenberg) bestellen.