John le Carré: The Constant Gardener
30 April 2006,
Filed under: 2006, English, human rights

I buy books, I read them, and sometimes I go to the movies to see a film based on one of the novels I’ve read. Here it was the other way round. I saw the movie twice and then bought le Carré’s book. Because I know that he is a very fine storyteller. And indeed it is a good book, a real page-turner. John le Carré knows how to keep you in his grip. But…

But as so often in this kind of writing, the novel does not leave me perplexed, exhausted, changed. In my database I divide my novels into several subcategories of which one is “genre”. Genre, thematic reading because this kind of consumer literature provides the reader with what he or she expects. And bestseller authors are those that manage to surprise the reader within the pre-set boundaries of the genre.

I did not mind these “market mechanisms” while reading eg The Spy Who Came in from the Cold or Call for the Dead. But in this novel the theme is too important to reduce it to “a good read”.

Justin Quayle is recently married to the much younger Tessa when he is posted as a diplomat in Nairobi, Kenya. While he devotes his time to his rather boring job and to his all-time gardening passion, his wife is active in an aid agency. Together with an African doctor she discovers that a multinational pharmaceutical concern uses the African poor and sick as ignorant guinea pigs to test their promising (in sales figures, of course) new drug. As a modern Jeanne d’Arc she starts a crusade to stop the giant, first through diplomatic channels. As this method does not seem to work (what did she expect?) she gathers evidence to go public. But she is murdered, and that is where the novel starts. Justin tries to find out who his wife really was, who killed her, and eventually takes on her battle.

As ever, le Carré has done his homework very well. He invents a new drug for the ever growing peril of multi-drug-resistant tuberculosis (see for this too real threat: TB Alliance and Partners in Health) and combines this with the outrageous practice of using illiterate or badly informed citizens of poor countries to test the new drug. Marvelous. But in stead of using his skills and his fame as a leverage to create a crying out loud novel, he manages to reduce the subject to just another of “these things bad guys will do for money”. And we zap on.

I can’t help but wonder what someone like José Saramago might do with this theme. Or if they were still alive, George Orwell or Heinrich Böll. There has been written about the subject, but as far as I know in a way not really open to the general public. See for instance Paul Farmer’s Pathologies of Power, Health, Human Rights, and the New War on the Poor. This is a shocking book, but not an easy read, and certainly not a page-turner. And that’s why good literature is so utterly important: to bring a necessary message in a way that truly shakes an international audience. Hoping that some readers are shaken into awareness.

More by John le Carré


VS Naipaul: In a free state
28 April 2006,
Filed under: 2006, English

In a free state bundles a short novel, two short stories, a prologue and epilogue story. The theme is displacement, the longing for a safe and friendly place to live. The yearning of every human being.

Naipaul writes about people with empathy, with a superb understanding. And he has the gift to convey subtle shifts in meaning, in situations, in characters. The novel, which is set in an un-named African country, something like Uganda, tells the story of two (white) people that hardly know each other. For some reason they have to make a long drive to the safety of their compound. We see the African landscape and the people through their eyes. Conflict, violence and rage are always in the air. This is a very strong novel – it won the Booker Prize in 1971.

The first story, about an Indian servant that went with his boss to Washington is sad and funny at the same time. Here the displacement is acheingly obvious. Some parts of it reminded me of another superb storyteller: Yann Martel with his Life of Pi.


El Choro: Incaweg naar de Boliviaanse yunga’s
19 April 2006,
Filed under: Suramérica
Vorige week heb ik me dan gewaagd aan een driedaagse trektocht: El Choro, een Incapad dat vertrekt in het Andesgebergte op ongeveer 4700m en daalt tot ongeveer 1200m. Voor wie geïnteresseerd is, volgt hieronder een verslag op basis van mijn dagboeknotitie´s.

Woensdag 12 april, 5 uur ´s morgens.

Ik heb al gedoucht – laatste keer voor enkele dagen – en gegeten en rustig wat mails gelezen. Eergisteren is de gids, Luis Muñoz, nog eens langs geweest om alle details te bespreken. Totnutoe is het een man van zijn woord en ik verwacht dan ook seffens de taxi. Luis spreekt een grappig soort Kuifje-spaans, waarschijnlijk door veel met gringo´s om te gaan.

5.35: We starten met de taxi richting La Cumbre, maar we moeten onderweg nog een arbeider gaan oppikken. Die moet ook de driedaagse tocht doen, maar dan om te werken. Een aantal bruggen werden gemaakt met hout waarop reclame van Hotel Gloria staat en die moet verwijderd worden. Hij zal dan ook stukken sneller stappen dan wij en ´s avonds met ons eten.

7.10: We komen aan op La Cumbre (de top), een bergpas tussen het Andesgebergte op 4700m. Daar moeten we ons “registreren” voor een of ander administratief doel. Daarna nog een beetje hogerop met de taxi tot aan het stenen beeld dat het vertrekpunt markeert.

7.30: We beginnen te wandelen. De bergen zijn gelukkig droog, maar het vriest nog. Soms loopt een stroompje over het pad en dat vriest dan aan. Ik kan de Alpinistenwandelstok van Oso al direct gebruiken. Luis loopt zonder.
Het ritme loopt lekker goed. Af en toe eens stoppen om een foto te nemen voor de achterban of te drinken. Luis drinkt bijna niet. We geraken aan de praat en hij laat – op mijn vraag – zijn Kuifjespaans achterwege.
Luis is erg zwaar bepakt, ik vermoed een 20 kg en hij heeft er last van. Ik draag niet meer dan 8 kg, op zijn aandringen. Het blijkt snel dat hij dit niet gewoon is. Normaal gaat hij met grotere groepen en dan moet iedereen zijn eigen eten dragen en hij tenten en gerief.

Nu heeft hij, om goed te doen, duidelijk veel te veel meegenomen: 2 blikken bier, een fles wijn (wat denkt hij van mij?), 1 kg vlees, 1 kg kaas, brood, koekjes, olijven, veeeel fruit.
Rond 8 uur vraagt hij of ik een blikje bier wil hebben, hij wil duidelijk gewicht kwijt.
We zakken snel. Vandaag dalen we tot ongeveer 2200m, een daling van 2500m! We komen lama´s tegen, een enkele eenzame boerderij. Na een tijdje komen we een kleine post tegen – 2 of 3 hutten – waar we ons nóg eens moeten registreren. De Boliviaanse liefde voor administratie. Daar eten we een hardgekookt ei en drinken mate.
We stappen verder en hebben ook wat gewicht verdeeld. Fruit hebben we verdeeld onder een aantal jonge Boliviaanse studenten die met praktisch niets ook de tocht aanvatten. Het berglandschap wordt meer en meer een vallei, het wordt groener, er komen bomen, lama´s, een koe, hier en daar een boerderijhut.

10.00: In een klein dorp, Chucura, wordt ons de weg afgesneden door een touw met een rood vlaggetje. Drie mannen achter een tafeltje vragen tol: 10 bolivianos (0,10 euro). Verder naar beneden, totnutoe alleen maar dalen, wat ik begin te voelen in de knieën. Het landschap wordt wilder. De weg bestaat voornamelijk uit grote rotsblokken, holderdebolder, en dikwijls overspoeld door een van de talloze watervalletjes. Ik doe mijn eerste valpogingen, gelukkig telkens opgevangen door de geweldige wandelstok.

11.30: We stappen nu al 4 uur aan een stevig tempo met kleine onderbrekingen. Ik heb mijn flies nog aan, maar het wordt behoorlijk warm. De rugzak trekt en sleurt en ik ben kletsnat op mijn lichaam van het zweet. Plots kan ik niet meer. Ik vrees dat het gedaan is (er is echter geen weg terug!): ik zweet, denk dat ik moet overgeven, heb een diarreegevoel, ik tril op mijn benen. Water geeft me nog meer een braakgevoel, en een appel krijg ik niet binnen. Ik blijf langs de kant zitten hijgen, mottig, erbarmelijk en beschaamd. Ik raap mijn moed samen en zoek een plaatsje om te poepen, naast een afgrond met een kolkende rivier. Dat lucht enorm op. Een beetje later geeft de bezorgde Luis me zoete graankoekjes en water en dat geeft me net voldoende kracht om verder te sukkelen naar de eerste stopplaats waar we rond 12.30 toekomen.
Challapampa ligt op 2915m. Volgens Luis kreeg ik mijn klop door de vele hoogte-aanpassingen op zeer korte tijd. Van Irpavi 3600 naar 4700 en daarna op enkele uren, in de subtropische zon, naar 2900. In Challapampa bestellen we bij een boerin een bord rijst met vis, maar ik krijg het niet binnen, het is net alsof ze met zeewater heeft gekookt. Ik drink vooral veel, limonade, water, eet wat brood met olijven. Normaal rusten we niet te lang om de spieren niet te laten verstijven, maar ik vraag toch nog 10 minuutjes rust. Uiteindelijk slaap ik bijna een uur.

14.00: We vertrekken terug. Ik heb bijna niets gegeten, maar ik voel me stukken beter. Bovendien beginnen we een stuk te klimmen, wat zwaarder is voor hart en ademhaling, maar veel aangenamer. Afdalen met modder en natte stenen is behoorlijk gevaarlijk. Ik ontdek dat zigzaggen veel beter gaat. Ik val een eerste keer, gelukkig val je achteruit door het gewicht van de rugzak.
We stijgen helaas nog veel, dat is wel plezanter dan dalen, maar al wat we stijgen moeten we daarna terug dalen, want vanavond slapen we op ongeveer 2200m. Nu gaat het zijn gangetje. Ik val nog eens en Luis met mij. Plat in de modder. Ik drink enorm veel, eet wat graankoekjes.

16.45: We komen toe in ons bivak en ik heb razende honger. We zetten de iglotent op en Luis geeft aan een boerin vlees en groenten en instructies om te koken. Het avondmaal zal over 20 minuten klaar zijn. Uiteindelijk komt het aan om 18.30, twintig laaange minuten, maar lekker: rijst, een aardappel, gebakken kaas, drooggebakken vlees en ajuin. En de fles rode wijn.
19.00: Het is donker en we kruipen in ons bed. Met het geluid van drie watervallen val ik onmiddellijk in slaap.

Donderdag 13/4

6.30: Ik heb geslapen als een os. Luis is al in de weer. Tijd om te ontbijten en op te kramen.

12.05: We zijn toegekomen in San Francisco, enkele hutten op 2100m. Veel dalen en klimmen. Dalen wordt steeds vervelender: traag, gevaarlijk, zwaar voor de spieren. Maar we hebben een goed tempo aangehouden. Gisteren hebben we meer gedaan dan voorzien, wat het vandaag iets makkelijker maakt. In de namiddag volgt nog een zware klim en de zon brandt al goed. Onderweg was ik plots mijn waterfles verloren. Je kan niet geloven wat een ontgoocheling dat is. We zullen het moeten doen met de halve literfles van Luis. Een beetje verder aan een watervalletje, waar we goed konden bijdrinken en aanvullen, passeerden ons enkele studenten en die hadden mijn fles gevonden. Zij hadden geluk…
Het landschap is veel opener geworden. Gisteren voornamelijk enge passen langs een wilde rivier en veel watervallen. Vandaag zijn de valleien breder, en dus meer zon.
Het middageten is erg lekker, maar we hebben te lang gezeten. Als we terug vertrekken ga ik als een oud peeke, voetje voor voetje, tot de spieren stilaan losser komen. We moeten vanavond in Sandillani toekomen. Dat ligt ongeveer even hoog, maar eerst nog afdalen om daarna fors te klimmen.
Ik ben het afdalen grondig beu. Het is afzien, afzien, afzien. Nochtans was de helling niet erg stijl. Na een tijdje begon het dus goed te gaan, en de aandacht verslapt even en dan plots wat natte stenen, een rotte tak en patat. Deze keer viel ik slecht, vooruit op mijn rechterarm. Gelukkig geen schade.
En maar dalen, en maar afzien. Luis moedigt me aan: we zullen uitgebreid rusten aan de laatste brug, want daarna begint de klim. Er zijn watervallen die je moet oversteken op enkele dunne, natte boomstammetjes. Uiterst voorzichtig. Uiteindelijk zie ik de brug. Ik ben enorm blij met de verwachte rust, met vers water. Maar Luis stapt monter door. Ik roep hem: “Hé, Luis, dit is toch een brug! Gingen we niet rusten?” Het blijkt dat het niet de laatste brug is. We zullen aan de volgende rusten. Wat een ontgoocheling. Ik dacht eindelijk aan de klim te kunnen beginnen. Luis vraagt me om al rustig verder te gaan, want hij moet een grote boodschap doen. Ik ga verder en het begint al stevig te stijgen, wat me verwondert. Maar je weet nooit met dit landschap. Maar Luis haalt me na een tijd in en moet zijn vergissing bekennen, het was wel degelijk de laatste brug (verwarring tussen de oude en de nieuwe…)
Dus rusten we maar hier en daarna begint de klim, eerst erg stijl, pasje voor pasje. Eén stap per ademhaling. Niet naar boven kijken, dat werkt ontmoedigend. Attent zijn waar je je voet zal neerzetten. Ik bedenk dat ik wel regelmatig foto´s neem voor de thuiswacht, maar dat ik voornamelijk mijn voeten heb gezien en de stenen die er net voor liggen. Maar Luis had nog een verrassing voor me in petto. Halverwege wonen enkele boerengezinnen en daar is waarachtig een hutje waar je Coca-Cola kan drinken. Ben nog nooit zo gelukkig geweest met de Yankeedrank.
Eindelijk zien we in de verte de hutten van Sandillani, dat geeft moed. We komen rond 17.15 toe en slaan onze tent op bij Tamiji Hanamura, een Japanner, 76 jaar oud, klein, kromgewerkt. Hij woont daar al een 50-tal jaar. Een bijzonder figuur. Hotel Glorio (La Paz en Coroico) heeft er, terend op zijn naam, enkele mooie nieuwe slaaphutten gezet. Concurrentie waar de Japanner niet gelukkig mee is, begrijp ik uit zijn nauwelijks te verstaan Spaans.
We hebben enorm lekker gegeten: soep met pasta, daarna een schotel met (scharrel)kip en salade(!) en zoete aardappel, rijst en banaan. En ik permiteer me een biertje. Daarna bedtijd. Slapen gaat vandaag niet zo goed. Het is erg warm. Na een tijd begint het te regenen en daardoor koelt het af, maar dat betekent ook dat het pad morgen nat zal zijn. Veremos.

Vrijdag 14/4

8.45: We zijn al een tijd op, maar gunnen ons een rustige morgen. Na het ontbijt starten we terug, maar het begint te regenen. De afdaling gaat goed. Mijn spieren waren terug stijf, maar kwamen sneller los. Dalen, maar niet té stijl, dus het viel wel mee. Onderweg kwamen we nog één stalletje tegen: vier palen met een blauwe plastiek erover en een boerin met een grote emmer vers geperste appelsienen. Lekker.
Al snel zien we de eerste huizen van een echt dorp: Chairo. Rond 11.30 komen we toe. Een rivier, één dorpstraat met langs beide zijden huizen, een kerkje, en een plaats waar je kan telefoneren. We drinken een biertje en ondertussen is Luis vervoer aan het negociëren. Normaal moet je wachten tot het minibusje vol is: 10 man. Maar er was praktisch niemand achter ons, we kunnen zo nog uren wachten. Dan maar een prijs bedingen voor ons beiden, de rit van een uur naar Coroico waar Alfonsine en Oso en Neleke met de kinderen wachten. En een warme douche.


El pintor de batallas
01 April 2006,
Filed under: 2006, Spanish

“No es una novela autobiográfica, no es una novela de periodistas, no es una novela de guerra. Lo que yo quería contar es la desolación que produce la certeza de descubrir el caos del universo. Lo que ocurre cuando se constata que la naturaleza no tiene sentimientos, y que gobierna el horror. Los hombres antiguos estaban preparados para semejante desorden, pero el hombre moderno ha preferido ignorarlo. Y llega un tsunami y lo arrasa todo. Y se toma como una novedad cuando ha ocurrido siempre.” Así presentó Arturo Pérez-Reverte su ultima novela en una entreviste con El País.

Un antíguo fotógrafo de guerra se ha apartado del mundo en una torre junto al Mediterránneo. Dejó la fotografía, dejó todo, para pintar un gran fresco circular en la pared: una síntesis de la guerra desde siempre.
Un día aparece un hombre, que había sido fotografiado por el fotógrafo en el conflicto yugoslavo. La foto, que le había ganado un premio internacional al fotógrafo, no había sido sin consecuencias para el croato.

-¿Por qué me busca?
El otro había dejado el vaso y se limpiaba la boca con el dorso de la mano.
-Porque voy a matarlo a usted.

Los dos siguen hablando y se encuentran varias veces. El croata trata de entender el mecanismo, el porque del hecho que una foto pueda matar. Sus penetrantes preguntas ayudan al pintor ordenar el caos que quiere pintar. Pero, lo que me molesta es que la conversación de los dos protagonistas no sea realmente una conversión, más bien una conferencia. El croata parece un personaje de cartón.
Arturo Pérez-Reverte: “Cuando se desencadena el horror, caben distintas respuestas. Una es estremecerse, y desentenderse de cuanto pasa. Otra es negar lo que ocurre, y lavarse las manos. Pero también se puede asumir que las cosas son así y aprender a vivir sabiendo cuáles son las reglas de juego. Frente al horror, se puede pensar que existe un orden secreto que desencadena las cosas. Lo ha hecho la ciencia, que ha encontrado que el caos obedece a un cierto orden. Es quizá una postura más optimista que entender que todo se rige exclusivamente por el azar: consuela saber que hay un orden que gobierna el mundo.”

Esta novela me recordó de la obra de Susan Sontag Regarding the Pain of Others que investiga de manera más profunda todos los aspectos de la fotografía de guerra: los sentimientos y los derechos de las víctimas, la actitud del fotógrafo, los sentimientos complejos del espectador, los motivos de los editoriales, galerías o museos, etc. O peor, el uso de fotos de guerra para propaganda política.

Más de Arturo Pérez-Reverte.