José Saramago: El amor posible, conversaciones con Juan Arias
Me gusta este libro porque me gusta la obra de Saramago. Estas conversaciones son, desde luego, interesante.
Pero me parece que no se descubra nuevos aspectos del autor. Creo que la biografía de un escritor no suele ser muy interesante, lo interesante debe ser su obra. Y lo mismo ocurre aquí: se entiende que Saramago es un hombre muy interesante, pero ya conocemos sus ideas gracias a sus libros.
El libro fue publicado en mayo 1998 por primera vez, es decir antes de que Saramago recibí el Premio Nobel de Literatura.
Dit is een interessant boekje voor de Saramago-liefhebber. Je leert er niet veel nieuws in, maar je ontdekt nogmaals zijn brede interesse-sfeer. Bovendien vind ik dat je niet per sé het leven van een schrijver moet kennen om zijn werk te kunnen waarderen.
Saramago kan volgens mij niet duidelijker overkomen dan in zijn prachtige boeken.
Toch de moeite waard, ik heb het graag gelezen.
Gedichtendag 2006
26 January 2006,
Filed under:
poetry
Ik heb, denk ik, een mooie verzameling gedichtenbundels. Maar om een gedicht te lezen heb je de juiste omgeving nodig, de correcte combinatie van tijd en ruimte en stilte. Want een gedicht lezen vergt een grotere concentratie, of betrokkenheid, dan het lezen van een roman. Net op gedichtendag is me dat niet gelukt. Om het goed te maken plaats ik hier een prachtig gedicht van Pablo Neruda, met mijn poging tot vertaling.
Soneto XCIV
Si muero sobrevíveme con tanta fuerza pura
que despiertes la furia del pálido y del frío,
de sur a sur levanta tus ojos indelebles,
de sol a sol que suene tu boca de guitarra.
No quiero que vacilen tu risa ni tus pasos,
no quiero que se muera mi herencia de alegría,
no llames a mi pecho, estoy ausente.
Vive en mi ausencia como en una casa.
Es una casa tan grande la ausencia
que pasarás en ella a través de los muros
y colgarás los cuadros en el aire.
Es una casa tan transparente la ausencia
que yo sin vida te veré vivir
y si sufres, mi amor, me moriré otra vez.
Pablo Neruda, Cien sonetos de amor
Sonnet XCIV
Sterf ik, overleef me dan met zulke pure kracht
dat je de woede wekt van wat koud en bleek is,
verhef van noord tot zuid je onuitwisbare ogen
en laat de ganse dag je mond klinken als gitaar.
Ik wil niet dat je glimlach of je stappen wankelen,
ik wil niet dat mijn nalatenschap van vreugde sterft,
klop niet aan aan mijn borst, ik ben er niet.
Leef in mijn afwezigzijn als in een huis.
De afwezigheid is een huis zo groot
dat je er zal lopen dwars door de muren
en kaders ophangen in de lucht.
De afwezigheid is een huis zo doorzichtig
dat ik, niet levend, je zal zien leven
en als je lijdt, mijn liefste, nóg eens sterf.
vertaling Jan Mariën
Nu is het de beurt aan Chadwick
Op 6 maanden tijd werden zo’n 20 sculpturen (bronzen) gestolen in Groot-Brittannië. Ik schreef vroeger al over het beeld van Henry Moore, nu recent was het de beurt aan The Watchers van Lynn Chadwick.
Detective Sergeant Vernon Rapley, hoofd van de Metropolitan Police Arts and Antiques Unit oppert: “For many years these objects have been considered unstealable because they are so large and heavy, because they are on public display and because they were seen as unsaleable. They weren’t considered a great risk. Now it seems they are.”
Er wordt trouwens gedacht dat de bronzen niet gestolen worden omwille van hun artistieke waarde, maar omwille van de grondstof: brons. En ik heb de indruk dat dat net zo frustrerend is voor de eigenaars. Het lijkt gek, maar als iemand je kunstwerk steelt heb je toch graag dat die de waarde kent van wat hij steelt. Liefhebbers onder mekaar, dus, zij het dan aan verschillende kanten van de eigendomsbarrière.
Bovendien, als het beeldhouwwerk um sich gestolen wordt, is de kans groter dat het ooit kan teruggevonden worden.
Stel dat iemand mijn bibliotheek op een nacht zou leeghalen, dan zou het mij troosten mocht dit gebeuren door een fervent lezer. Als het echter zou gebeuren omdat de prijs voor papierpulp hoog staat…
Orhan Pamuk: Snow
De Turkse schrijver Orhan Pamuk staat op dit ogenblik terecht voor een rechtbank in Istanbul, beschuldigd van “belediging van de Turkse identiteit” (zie BBC news 14 december 2005). Als ik zoiets lees, weet ik niet of ik moet schaterlachen of juist bitter wenen. Allebei misschien.
Pamuk zou de Turkse identiteit beledigd hebben door in een interview met een Zwitzerse krant te praten over de dood van 1 miljoen Armeniërs in het begin van de 20ste eeuw en van 30.000 Kurden in de jaren 80. De kwestie ligt zeer gevoelig in Turkije. Enerzijds willen ze zulke dingen gewoon niet toegeven, zwijg erover!, anderzijds willen ze zich profileren als een moderne natie, een democratie die het waard is om opgenomen te worden in de Europese gemeenschap. Wat is dat toch met die koppige, blinde trots van sommige naties? Hoe moeilijk is het toch de zonden van het verleden toe te geven om met een schone lei te beginnen. Ik schreef hierover meer in mijn tekst over Orwell’s Nineteen eighty-four.
Naar aanleiding van deze berichten heb ik Snow gelezen, één van zijn bekendste romans (naast bv
Comments (0)